Hoofdmenu

VAN VERLEDEN NAAR HEDEN EN TOEKOMST

 

 

 

Mijnmonument voor ‘d’r Sjtaat’ ultiem eerbetoon aan kompels en mijnverleden streek  

 

In 1952 werd ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de Staatsmijnen op de splitsing van de Vloedgraafstraat en de Schaesbergstraat in Terwinselen een even imponerende als karakteristieke manshoge mijnlamp geplaatst. Het was een eerbetoon aan de mijnwerkers van d’r Sjaat. Die woonden in de huizen die de Staatsmijn Wilhelmina in Terwinselen, vanaf 1904 ,aldaar voor hen bouwde. In 1955 was het lichtbaken in de duisternis maar bovenal het symbool voor saamhorigheid plotsklaps spoorloos verdwenen. Een burgerinitiatiefgroep uit de wijk bestaande uit Jan Jager, Math Vanderbroek, Jo Knobbe, Jo Sentjens, Jeu Degens en René van Drunen maakt zich sterk om de mijnlamp weer terug te krijgen op Terwinselen.

Het benodigde geld voor een replica van het verdwenen mijnmonument hoopt het actiecomité door middel van sponsoring en crowdfunding te verwerven. Ook hopen de bewoners op een bijdragen van de gemeente Kerkrade, de provincie Limburg en mogelijk IBA.. “In 2019 bestaat de parochie Terwinselen 100 jaar en is het 50 jaar geleden dat de Staatsmijn Wilhelmina haar poorten sloot. Een mooi gelegenheid om dit monument te herplaatsen zodat het verleden niet vergeten wordt”, zegt Jan Jager, die tot de sluiting veertien jaar waarvan dertien ondergronds als kompel beulde en aansluitend nog 34 jaar bij Philips in Heerlen werkte.

Ware woorden. Politici deden er in de jaren zeventig alles aan om het mijnverleden in recordtijd weg te poetsen. Een historische blunder want zonder verleden, geen heden en toekomst. Vorige maand sloot de laatste Duitse steenkoolmijn, Prosper-Haniel in Bottrop, in het Ruhrgebied, op vijftig kilometer van de Nederlandse grens. Daar en in de mijn in Ibbenbüren werkten de laatste duizenden arbeiders in de zwaar gesubsidieerde Duitse steenkoolwinning. Miljarden euro’s per jaar legde de staat erop toe om Duitse mijnen in bedrijf te houden, tot – al meer dan tien jaar geleden – werd besloten dat het eind 2018 afgelopen zou zijn.

Terwijl in België en Duitsland de mijnsluitingen op ware drama’s uitliepen – in Belgisch Limburg was het verzet zo hevig dat daar in 1966 doden vielen – werden enkele kilometers verder in Nederlands-Limburg zonder slag of stoot in amper zeven jaar tijd 65.000 banen geschrapt en slechts ten dele vervangen door andere. Buitenlandse kolen en olie waren goedkoper, in Slochteren was gas gevonden en het werd steeds moeilijker arbeiders te vinden voor het vuile werk. De vooruitzichten van de industrie waren somber, maar een leven zonder mijnen was voor de streek nóg somberder. “De mijn was alles. Er verdienden immers 65.000 mensen direct hun brood, 30.000 bij de particuliere en 35.000 bij de Staatsmijnen. Ze kregen alles van de mijn: hun brood, hun aardappelen, hun kleren, hun huis, noem maar op. Zonder mijn was er geen leven.”

Dat zo weinig protesten volgden toen Den Uyl eind 1965 in de Heerlense schouwburg de inkrimping van de mijnindustrie aankondigde – het woord sluiting viel toen niet – had veel te maken met de spreekwoordelijke gedweeheid van de Limburgers. De socialistische vakbeweging kreeg in Limburg nooit echt voet aan de grond, praktisch alle mijnwerkers waren lid van de katholieke bond. De katholieke vakbond achteraf geduid als ‘communisten met een rozenkrans’ – was weinig strijdbaar. Voor de voorzitter van de mijnwerkersbond, Frans Dohmen was het besluit van Den Uyl zelfs eerder een opluchting dan een teleurstelling. Een rendabele toekomst voor de Limburgse mijnindustrie ontbrak in zijn gevoel immers.Dat gevoel werd nog eens versterkt door de belofte van de vervangende werkgelegenheid.

Op die regenachtige dag in de Heerlense schouwburg zei Den Uyl: „Geen mijnsluiting zonder redelijk perspectief op vervangende werkgelegenheid.” Van de 385.000 inwoners van de mijnstreek was zeventig procent direct of indirect afhankelijk van de steenkoolwinning. Den Uyl bracht een subsidiestroom van vijf miljard euro in de periode 1965-1990 voor de mijnstreek op gang. Voor bedrijfsinvesteringen, nieuwe wegen, rijksdiensten en een autofabriek in Born. Maar bij deze ‘herstructurering’ liep de streek, Heerlen en Kerkrade voorop, veel steungeld mis. Miljoenen die de particuliere mijnen kregen voor nieuwe investeringen, gingen naar elders. Maastricht kreeg ten onrechte veel geld, voor een medische faculteit en een rijksuniversiteit. De mijnstreek was gebombardeerd, maar de wederopbouw vond plaats in Maastricht.”

Ondertussen wisten de lokale bestuurders het mijnverleden uit. Gebouwen en steenbergen verdwenen. Als een van de laatste mijnmonumenten zou het hoofdkantoor van de DSM Staatsmijnen uit 1906 in Heerlen wijken voor een koopcentrum. De naam Oostelijke Mijnstreek werd vervangen door Parkstad. Dit deed mijnwerkers begrijpelijk pijn. Alsof hun werk iets gênants was geweest. En dat terwijl hun noeste en loodzware k juist welvaart in de streek hadden gebracht.

Het effect van de sanering van de monocultuur mijn op de psyche werd onderschat. Toen de mijnen werden gesloten, kwam er niets voor in de plaats. Het hele sociale stelsel dat rond de mijnen bestond, stortte in. Dat was in feite nog erger dan de mijnsluitingen. Veel Limburgers voelden zich in de steek gelaten. Vooral dat de beloofde vervangende werkgelegenheid er niet kwam beschaamde het vertrouwen in de politiek van veel mensen ernstig. De confessioneel-liberale kabinetten na Cals sloten de mijnen sneller dan gepland. Den Uyl zei later dat zijn opvolgers het ‘verprutst’ hadden.

In Den Haag werden de mijnsluitingen dan ook als een technocratisch proces beschouwd. Er werd gedacht dat er binnen een jaar of tien wel weer nieuwe fabrieken in Limburg zouden staan. Dat bleek een illusie. Uiteindelijk belanden veel voormalige mijnwerkers in de sociale werkvoorziening terechtgekomen, ook al hadden ze geen handicap. De sociale werkplaatsen waren decennia de grootste werkgever in de mijnstreek, maar zijn enkele jaren geleden door de regionale politiek eveneens ondoordacht snel en zonder voldoende alternatieven ontmanteld.

Voor zo’n laatste grote sociale werkplaats in Kerkrade staat tegenwoordig de herdenkingskapel van de heilige Barbara, patroonheilige van de mijnwerkers. Een typische mijnwerkersfeestdag is de `Barbaradag’, op 4 december, die in Zuid-Limburg jarenlang gevierd werd. In de kapel staan de namen van alle mijnwerkers die door ongelukken in de mijnen om het leven zijn gekomen. Vlakbij de kapel ligt het terrein van de voormalige staatsmijn Wilhelmina. De steenberg van de Wilhelmina-mijn, waar het zwarte steengruis dat met de kolen mee naar boven kwam na het scheiden op terechtkwam, is tegenwoordig een skihelling. Zelfs de zwarte bergen zijn wit of groen geworden. Het mijnmonument in Terwinselen is dan ook een meer dan lovenswaardig initiatief.  De stenen sokkel onder de mijnlamp wordt door de bewoners van ‘d’r Sjaat’ gemetseld. De mijnlamp wordt vervaardigd door Siersmederij Klaessen als de financiering rond komt. Bijdragen zijn meer dan welkom.

Iedereen die Terwinselen en haar mijnverleden een warm hart toedraagt kan o.v.v. Mijnmonument voor Terwinselen een bijdrage storten op Regiobankrekeningnummer NL72 RBR B077 801 2069 ten name van M.E. Vanderbroeck of JH Knobbe.

Foto geleverd door Torena publiciteit

 



(Volgend nieuwsbericht) »